Blijf kijken

Hier vloekt men lekker wél

Onlangs stuitte ik toevallig op de website van de Bond tegen vloeken. “Vloeken is het misbruiken van de naam van God of Jezus”, schreven ze. “Godverdomme”, dacht ik, “die puriteinse rimpelsauriërs krijgen het wel heel hoog in hun bol.” Over scheldwoorden hadden ze ook nog wat te melden: “Schelden is met woorden kwetsen of beledigen. Met schelden denk je stoer te zijn, maar dat is het niet. Het is ook een gebrek aan woorden.” Een gebrek aan wóórden? Excuse you? Schelden is poëzie, de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Putlul, beftekkel, tietloze trekslet. Hoor die klinkers assoneren! Dat verrukkelijke medeklinkerrijm! Leve het vrije woord! Vloeken, beste mensen, is een kunst.

De Bond der Verzuurde Fossielen denkt daar anders over. Volgens hen zijn vloeken en schelden slechte gewoontes waar je zo snel mogelijk vanaf moet. “Stoppen met vloeken is even moeilijk als het veranderen van welke andere slechte gewoonte dan ook. Het vraagt oefening, discipline, tijd, steun van anderen en het verlangen om aan jezelf te werken. Niet alleen door het onder controle houden van je taal, maar ook van de emoties die je aanzetten tot vloeken.” Nou, nou, nou. Orwell anno 2015.

Als niemand zich nog van lelijke woorden mag bedienen, dan leven we binnenkort in een samenleving vol shiny happy people die alleen nog praten over kantklossen en tuinbonen kweken. Wat er zo lelijk is aan fluotrut of baarmoederdiscokip is mij overigens geheel onduidelijk, maar dat terzijde. Veel erger is dat de Bond vindt dat mensen hun negatieve emoties maar beter onderdrukken.  Wat wil de Bond daarmee eigenlijk bereiken? Een maatschappij die geen woede, frustratie of onmacht meer kan uiten? Eén basisemotie voor iedereen?  Een samenleving die niet over de woorden beschikt om uit te drukken dat ze voortdurend gefuckt wordt door pakweg de overheid? Een talig Noord-Korea?

Het kan ook anders. Uiteraard. Met lieve woorden, zachte zinnen. Ik nodig u allen uit om het eens te proberen. Wanneer u met uw kleine teen tegen de tafelpoot loopt, bijvoorbeeld. Een voorzichtige “oeps” op fluistertoon. Nee? Dat dacht ik al. U bent net met uw lompe poten tegen de fucking tafel gelopen. En het doet godverdomme zeer!

Het gebruik van die laatste krachtterm – favoriet van velen – doet de stakkers van de Bond trouwens sidderen en beven. Volgens de Bond “raakt hij God in zijn heiligheid en gelovigen in hun identiteit”. Bovendien vinden ze de uitroep “blasfemisch”. Dat zal allemaal best, jongens, maar bij dezen een warme oproep: verlaat het Paleozoïcum en bereid u voor op een upgrade naar een moderne democratie. Nieuwsflits: God is al honderdvijftig jaar dood. Maar ook dat geheel terzijde.

Taal is essentieel om te kunnen denken. Als we bepaalde woorden niet meer mogen gebruiken, kunnen we sommige zaken ook niet meer benoemen.  Iedereen voelt zich wel eens kut of klote, en de Bond tegen vloeken heeft niet het recht om dat te censureren. We moeten de dingen te allen tijde kunnen benoemen zoals ze zijn. Lelijk of niet. Wanneer we ons taalgebruik gedwongen moeten oppoetsen om al wat onbehoorlijk is te verbergen, leven we dan niet in een samenleving die verdacht veel lijkt op bovengenoemde dictatuur? Een samenleving waarin geen plaats is voor nuance? Waarom toch de neiging om lelijkheid te verstoppen? Omarm het, lach ermee, neem uzelf toch niet zo vreselijk ernstig.

Ieder weldenkend mens dient te beschikken over een uitgebreid scheldwoordenvocabularium. Eloquentie betekent ook de schuttingtaal tot in de puntjes beheersen. Brontosaurus. Fuckface. Kamerplant. Ik werk er met zorg en toewijding aan. Ga ik nu naar de hel? Waarschijnlijk. Kan het me wat schelen? Absolutely fucking not.

Hommeles in de haven

Aan tafel met de Antwerpse havenarbeiders

Meer dan honderdduizend mensen kwamen afgelopen donderdag op straat om te protesteren tegen de besparingen van de federale regering. In de namiddag deden enkele honderden amokmakers de betoging volledig ontsporen. Beelden van brandende auto’s en gemaskerde relschoppers gingen de wereld rond. ’s Anderendaags werden vooral de Antwerpse dokwerkers met de vinger gewezen. “Van de havenarbeiders die vreedzaam achter hun spandoek liepen, heeft men natuurlijk geen beelden laten zien.”

“Zeg Eric, er staat een spelfout op onze pamfletten! Een ACV’er wappert grinnikend met een dik pak flyers. “Hier, stakingspiketten, dat is met één k hé!” Het is halfzeven ’s ochtends, maar in het aanwervingslokaal van de Antwerpse havenarbeiders is het al behoorlijk druk. In het aanwervingslokaal, beter bekend als het Kot, komen honderden losse arbeiders zich elke dag aanbieden om te werken. De ploegbazen verdelen dan het werk dat er is.
De havenarbeiders komen druppelsgewijs binnen. Lachend en pratend. Eentje zelfs al brullend. “Die zal thuis moeten zwijgen”, lacht ACV-vakbondsafgevaardigde Eric. Een scherp belsignaal doet het ochtendlijke geroezemoes verstommen. Tijd om te werken. Iedereen tuurt naar de grote neoncijfers op het scherm boven de uitgang. Arbeiders: 32. Werk: 4. “Ah kijk”, zegt Eric, “dan zijn er vandaag dus 28 werkloos. Die gaan hun stempel halen en keren dan terug naar huis. Als er geen schepen zijn, is er ook geen werk. Dat gaat met pieken en dalen. Aan de haven is geen dag hetzelfde.”
“Klopt!”, roept Albert. Hij pikt gretig in. “De haven werkt niet zoals een fabriek waar een machine elke dag duizend keer exact dezelfde beweging maakt. De haven is veel moeilijker te vatten. Ze mogen dat niet zomaar allemaal veranderen. Wij worden wereldwijd geprezen en geroemd voor onze snelheid en onze werkkracht, en toch is het altijd hetzelfde liedje: we zijn niet open of toegankelijk genoeg en er moet iets aangepast worden. Wij begrijpen dat niet. Waarom maken ze daar altijd een probleem van?”

Besparingen

De aparte ruimte voor chauffeurs loopt stilaan leeg. “Werkloosheid” staat in grote letters op hun scherm. Het felle neon glijdt een beetje treiterig van rechts naar links. Albert gaat onverstoorbaar verder. Vragen stellen is bijna overbodig. De verhalen komen vanzelf. “Het systeem van het Kot, daar mogen ze niet aankomen”, zegt hij beslist. “Dat biedt de mensen zekerheid. Als ze een stempel hebben, krijgen ze per definitie een minimumloon. Onze mensen kunnen hier ook terecht als ze problemen hebben. Het Kot, dat is de moeder van de haven.”
“Ook de besparingen van de regering zijn bij de havenarbeiders echt in het verkeerde keelgat geschoten”, vervolgt Albert. “En die superrijken die amper belastingen betalen, onbegrijpelijk! Je kan de mensen niet blíjven dom houden en verwachten dat ze als schaapkes gaan meelopen hé.”
De werkloze havenarbeiders schuiven intussen aan voor hun stempel. Mutsen, baarden, jong en oud. Bijna allemaal in oranje broek. Een arbeider heeft zelfs zijn zoontje meegebracht. Van de vele clichés over de haven, zijn er maar weinig die kloppen.  “Iedereen denkt altijd dat alle havenarbeiders veel geld verdienen, maar dat is niet zo”, zegt Eric. “Logistieke medewerkers die in de magazijnen werken bijvoorbeeld, komen aan 1200 à 1300 euro per maand. Als je dan de maatregelen van de regering bekijkt – de loonstop en de energie die duurder wordt – dan besef je: dat is geen leven meer, dat is overleven.”

“Hier! Patrick bijvoorbeeld. Voor hem betekent de indexsprong een verlies van 600 à 700 euro per jaar.” Patrick is chauffeur in de haven. Hij spreekt kalm en bedachtzaam. “Ik werk al sinds ’88 bij de haven. Ik denk dat we in al die jaren één keer loonsopslag hebben gehad. Wel indexaanpassingen uiteraard, maar loonsopslag? Slechts één keer. En zelfs daar ben ik niet helemaal zeker van. (lacht) Als je kijkt naar onze buurlanden, dan denk ik dat wij als havenarbeiders in België het minst verdienen.”

Geweld

“Ik begrijp dat onze mensen kwaad en gefrustreerd zijn, maar het geweld van donderdag is onaanvaardbaar”, vindt Eric. “Wij zijn met een vijfhonderdtal havenarbeiders met de betoging meegelopen en pas op het einde, toen we aankwamen, hebben we gezien dat er rellen waren uitgebroken. Het is ook absoluut niet de bedoeling om op 24 november opnieuw te betogen. Blijkbaar bestaat daar verwarring over. Wij zijn echt niet van plan om naar het stadhuis te trekken en de boel daar kort en klein te slaan of zo. Ik betreur de uitspraken van Bart De Wever dan ook ten zeerste. Hij zou op z’n minst wat begrip kunnen tonen. Wat wij wél willen doen, is de haven op 24 november volledig platleggen. Onze woede uiten door bijvoorbeeld stakingspiketten op te zetten. Daarvoor zijn we nu ook pamfletten aan het uitdelen. Kijk maar.” Bovenaan de kleurige logootjes van de verschillende vakbonden. Veel hoofdletters en uitroeptekens. “Halt aan de sociale afbraak!”, staat er. En dan een heleboel instructies. “Volg enkel de ordewoorden van uw vakbond!” “Laat u niet misleiden door individuen die onze acties misbruiken en die geenszins begaan zijn met het statuut van de havenarbeider!” De wonden van afgelopen donderdag zijn nog vers.

Koffie

Tegenover het Kot ligt een kantine waar de havenarbeiders kunnen eten en drinken. “Dag schattekes!”, roept Albert tegen zijn collega’s. “Iemand koffie?” “Ha zeg, nu ge schoon bezoek hebt meegebracht, blijft ge wel ne koffie drinken of wat?”, lacht een man. “Och, gij stuk vergif, ik drink hier altijd ne koffie. Ja, juffrouw, de havenarbeiders, die zeggen wat ze denken.”
“De haven is echt een heel apart biotoop”, legt Albert uit. “Met niets te vergelijken. Daarom vinden wij het ook zo vervelend dat mensen van buitenaf, mensen die de haven niet begrijpen, hier vanalles komen veranderen. Wij roepen en tieren al eens, maar niemand neemt daar aanstoot aan. Als ik naar een kraanman roep dat ik zijn brilleke eens fatsoenlijk op zijn neus zal komen kloppen, dan roept die kraanman gewoon iets terug en de kous is af. Maar sommige nieuwelingen die hier komen werken hebben het daar moeilijk mee. Die zijn gewoon dat ze beleefd moeten zijn en die dienen dan klacht in. Weet ge, bij de haven moet ge uw respect echt verdienen. Ge kunt niet allemáál dikke vrienden zijn hé. Klinkt het niet, dan botst het. Zo simpel is het.”
Albert kijkt weemoedig voor zich uit. Zijn felle ogen blinken wanneer hij over de haven spreekt. “De haven, ik vind dat zo’n prachtwereld. Zeg mij eens, in welke andere sector kunt ge tegen de baas zeggen dat hij uw kloten kan kussen, en de volgende dag gewoon zonder problemen weer komen werken?”

“Ik ben zot van regenwormen!”

Processed with VSCOcam with e7 preset“Die boontjes zijn een surpluske van het seizoen, die zijn er normaal niet meer rond deze tijd.” We zitten gehurkt in de modder – vergiet op de knieën – en speuren naar de laatste prinsessenbonen. “Mijn lievelingsmoment in de tuin is eigenlijk de lente, wanneer alles uit de grond komt. Dat is toch werkelijk een wonder?” Hilde Van Gool over de poëzie van de moestuin. 

“Kijk eens wat hier nog allemaal staat van seizoensgroenten. Regenboogsnijbiet – dat zijn die rode en die gele en die groene daar. Of sla! Boontjes! Suikerbrood! Rammenas! En hebt ge mijn spinazie en mijn rode biet al gezien?” Hilde is een en al enthousiasme. Ze ademt nauwelijks als ze praat. Behendig laveert ze tussen haar eindeloze reeks percelen. “Pas op hé, ge staat op mijn wortelkes.” Liefdevol overschouwt ze haar koninkrijk.
Vijftien jaar geleden begon Hilde een biologische moestuin in een uit de kluiten gewassen zaaibak. Vandaag heeft haar tuin de omvang van drie olympische zwembaden, maar bio is hij altijd gebleven. “Of het echt gezonder is, weet ik niet. Wat ik wél zeker weet, is dat de smaak fantastisch is. Echt een wereld van verschil. Zo naturel. Mijn koken wordt dan ook steeds uitgepuurder. Vaak eet ik gewoon groenten, zonder meer.”
“Ik ben bijna volledig zelfvoorzienend. Ik vind het heel belangrijk om zeggenschap te hebben over wat ik eet. Mijn tuin is daarom steeds meer een basiselement van mijn leven. Het is niet zomaar een hobby. Respect voor de natuur is voor mij essentieel. Daarom gebruik ik nooit artificiële middelen. We eten drie keer per dag producten die voortkomen uit de aarde, dus is het logisch dat we er ook zorg voor moeten dragen. We moeten de grond respecteren en er op een verstandige manier mee omgaan. Zoals de mensen het vroeger deden.”  
“Onze voorouders, die wisten heel goed waar ze mee bezig waren. Ze aten gewoon wat het seizoen bracht. Ik heb hier ongelooflijk veel aardperen bijvoorbeeld, een alternatief voor aardappelen. Echt basisvoedsel. Ze groeien het hele seizoen door én ze bevriezen niet. Wie aardperen had vroeger, kon niet omkomen van de honger. Het was lange tijd een vergeten groente, maar tegenwoordig serveren restaurants het weer. Zo’n toefje aardpeer, dat is wel chique hé? (schaterlacht)

Coloradokevers

Hilde lacht en praat ongeremd, maar wanneer ze het over haar moestuin heeft, weerklinkt vooral tederheid. “Er zijn verschillende manieren om pesticiden te vermijden. Worteltjes kan je bijvoorbeeld alleen maar kweken met een worteldoek erover, zodat de wortelvlieg haar eitjes niet op de planten kan leggen. Insectenplagen kan je ook voorkomen door je planten op een plek met veel wind te zetten. Belagers houden daar immers niet van. Uiteraard is biologisch tuinieren arbeidsintensief. Als er bijvoorbeeld coloradokevers op mijn aardappelen zitten, dan pluk ik ze er met de hand weer af. Dan moet ik elke dag door mijn teelt lopen en kijken waar de eitjes zitten. Dat is kennis die je al doende opbouwt. Wat ik ook doe, is bij Velt (Vereniging voor ecologische land- en tuinbouw) plantgoed kopen dat resistenter is tegen bepaalde plagen.”
“Hoe arbeidsintensief het ook is, ik probeer nooit in de tuin te werken vanuit verplichting. Altijd vanuit verlangen. Toen ik nog werkte en jonge kinderen had, heb ik daar wel eens mee geworsteld. Ik weet nog dat ik ooit boontjes heb gezaaid die zo diep in het onkruid verborgen zaten dat ik ze niet meer terugvond. Ik zaaide en ik plantte, maar soms moest ik de oogst gewoon laten hangen. Ik voelde mij daar toen schuldig over. Ik vond dat verspilling. Tot iemand mij eens zei: “Maar meiske toch, als er een zaad van een boom valt, dan hangen er nog een miljoen andere in. In de natuur is er zo veel overvloed. Maak je toch geen zorgen over een teelt bonen die je niet geplukt krijgt.” Ik vond dat toen zo’n geruststelling.”

Dekentjes

“Tegenwoordig ben ik heel erg bezig met bewaarmethodes. Ooit wil ik een halfondergrondse bewaarplaats bouwen, zoals men dat vroeger deed. Een soort vorstvrije kuil in de grond, waar je bijvoorbeeld de aardappeloogst kan inleggen. Een natuurlijke koelkast. Ik doe nu al iets dat erop lijkt, maar dan eenvoudiger. Mijn knolselder en mijn rode bieten leg ik in een kuil en bedek ik met aarde en stro. Ik kan die groenten zo perfect bewaren, ze worden niet slecht. Rode biet verliest wel wat van zijn smaak, dus die laat ik zo lang mogelijk op het veld staan.”
“Voor de meer fragiele groenten hanteer ik een andere methode. Als er nachtvorst komt, probeer ik mijn sla nog even te redden door er een dekentje over te leggen. Dat kan je natuurlijk maar even volhouden. Ik vind het belangrijk om gevarieerd te eten, dus ik draag zorg voor mijn tuin. Ik vind dat een vorm van wederzijds respect.”
Wat Hilde in het bijzonder koestert in de tuin, is haar composthoop. “Omdat het zo’n metafoor is voor het leven. Uit het afval van mijn tuin groeit elk jaar een nieuwe generatie groenten. Voor de mens geldt hetzelfde. Al wat moeilijk en vervelend is in een mensenleven wordt uiteindelijk humus voor een nieuwe stap.”
“Ik hou echt van mijn composthoop. Van de geur en van de pure grond. Ongelooflijk dat zoiets voortkomt van afval. Ik vind dat zo zinvol, zo vruchtbaar. Weet ge wat ik ook geweldig vind? De wormen die daarin krioelen. Dat betekent dat je goeie compost hebt. Ik ben zot van regenwormen!”

Witloof

Hildes tomeloze enthousiasme maakt stilaan plaats voor ontroering. “Kijk,” zegt ze, “dit zijn de aardbeien voor volgend jaar. Die kunnen tegen de vorst. Een aardbei kruipt helemaal in de grond en komt er in de lente weer uit. Fascinerend, hé? Poëtisch bijna. Weet ge dat ik jaren planten heb gekocht omwille van hun poëtische naam? Mijn rode biet, bijvoorbeeld, die heet Egyptische platronde. Ik vind dat zo schoon.”
Hilde is gek op de natuur, maar ook op taal. “Een van mijn favoriete teksten is een gedicht van Rutger Kopland. Hij beschrijft hoe hij heel veel dingen kan verdragen, maar niet de aanblik van een vochtig bedje jonge sla. Prachtig vind ik dat. Ik zie echt de poëzie van groenten. Neem nu witloof. Dat moet je eerst zaaien en later van het loof ontdoen. Vervolgens moet je de wortel weer begraven in een donkere kuil. Pas dan kan de witte krop beginnen groeien. Als je na een paar weken de grond weer openmaakt, zie je dat witloof – stralend wit in diepzwarte aarde. Dan kan ik echt wenen van ontroering. Kijk, ik begin al.”
Ze zwijgt even. Denkt dan hardop. “Er is ook zo’n gedicht over witloof, hé. Van David Van Reybrouck. Dat gaat zo:

Zoals witloof,
niet de wortel die men breekt
en keert in de ast, maar de koele
kwetsbaarheid van het tere blad

zoals het donkerte wil om wit te zijn
en kilte zoekt om bitter te worden
en breekbaar blijft en bleek –
een bundel ongebroken verlangen

zoals het roerloos groeit,
een leger van stilte,
en opflakkert bij het licht van een lamp
een korte groet uit hun grot van roest

zoals volmaakte vlammen
van een ondergronds branden

Honderd jaar eenzaamheid

Processed with VSCOcam with e1 presetZuster Hilde heeft haar leven aan God gewijd. Nu woont ze in een rusthuis. Daar is elke dag hetzelfde: bidden, televisiekijken, wachten. “Ik heb een heel schoon leven gehad. Ik ben negentig jaar mogen worden, hé. Maar als je mij vraagt welk cadeau ik graag zou krijgen, dan zeg ik: naar de hemel gaan. Thuiskomen.”

Huize Sint-Arnold, Beernem. Hier gaat de tijd tergend langzaam voorbij. Misschien staat hij wel stil. Een man schuifelt zijn kamer binnen. Zo broos dat hij elk moment in duizend stukjes kan breken. “Negenennegentig”, mompelt een verpleegster. Op de binnenkoer ligt een vijvertje. Goudvissen zwemmen er eindeloos in cirkeltjes. Tik, tik, tik – het geluid van mijn hakken weerklinkt in de donkere gangen. Bij de laatste deur rechts hangt een naambordje: zuster Hilde De Winter. Hier moet ik zijn.
Wanneer ik haar kamer binnenwandel, kijkt zuster Hilde verwonderd op. Of ze nog weet wat ik kom doen? “Een interview”, fluistert ze. Ooit moet ze felle, heldere ogen gehad hebben. Nu zijn ze dromerig – alsof er een laagje mist voor zit. Haar oogkassen zijn donkerpaars en op haar voorhoofd zitten sporen van geronnen bloed. “Ik ben gisteren tegen de kast gevallen toen ik binnenkwam. Gewoon zo. Paf.”
Haar stem klinkt zacht en schor. Haar handen beven. Heel voorzichtig laat ze zich in de groene zetel bij het raam zakken.Hier wacht ze op de dood. Aan de muren hangen foto’s van familieleden en kaartjes uit verre landen. Veel doodsprentjes ook. Zuster Hilde kijkt uit het raam. Haar gedachten zijn als herfstbladeren – ze vallen, vliegen, breken. Buiten speelt de wind in de takken van de bomen.

Soldaten van De Winter

“Ik wist als kind al dat ik van Jezus was en dat ik in het klooster zou gaan. Ik studeerde eerst voor regentes huishoudkunde. Eigenlijk wilde ik liever kleuteronderwijzeres worden, maar dat vonden mijn ouders maar niks. Na mijn studies kreeg ik de kans om met een klasgenoot een school te beginnen in Poppel. Een landelijke huishoudschool. Pas op, dat was ’40-’45 hé, den oorlog. Later zijn we gevlucht. Naar de Vlaanders.”
Haar stem stokt even. Dromerig gaat ze verder: “Weet ge, ik wilde eigenlijk kleuteronderwijzeres worden, maar mijn ouders vonden dat niet goed.” Bijna woordelijk herhaalt ze haar verhaal, en nog eens, en nog eens, en nog eens. Alsof ze haar kapotte droom wil herstellen door hem zo vaak mogelijk opnieuw te vertellen.
Ze zoekt haar woorden en herneemt: “Tijdens de mobilisatie hadden wij drie soldaten in huis. Een van hen had aan het conservatorium gestudeerd en had opgevangen dat wij thuis een piano hadden. Hij mocht erop komen spelen wanneer hij maar wilde. “Madam,” vroeg hij, “mag ik hier misschien ook slapen?”. “Ah ja,” zei mijn moeder, “ik ben blij dat ik iets kan doen.” We hadden toen een grote logeerkamer met een breed bed.  Die soldaat zag dat en zei: “Zeg Madam, mag ik misschien nog iets vragen? Mag mijn kameraad er ook bij?” En toen hij onze chaise longue zag staan, vroeg hij of zijn tweede makker ook nog mocht komen. Anders moesten ze bij een boer in de schuur slapen. Dat waren dus onze soldaten. De soldaten van De Winter, zeiden ze in het dorp.” (lacht)
“Een van onze soldaten kwam uit Wielsbeke, West-Vlaanderen. Tegenover zijn huis woonde een jong koppel dat iemand zocht om op hun huis te passen. Mijn vader heeft besloten dat huis te huren en we zijn dan met het hele gezin naar daar gevlucht. Met de fiets, begot! We hebben daar drie maanden gewoond. Allez, in de kelder gezeten. We zijn nooit in de kamers boven de grond geweest. Veel te gevaarlijk.”
“Ik weet nog dat er op een dag heel luid op de deur werd geklopt. Boenk, boenk, boenk. Dat waren de Duitsers. Mijn moeder en mijn oudste zus zijn dan naar boven gegaan – onze vader niet hé, want tijdens de Eerste Wereldoorlog namen ze de mannen mee. Ze hebben hen dan verteld dat we in de kelder zaten omdat we bang waren. De Duitsers zeiden dat we mochten blijven zitten, maar dat we wel een witte vod aan de deur moesten hangen als teken van overgave.”

Vijf mannen

Wanneer ik vraag naar haar leven in het slotklooster van Brecht, moet zuster Hilde even nadenken. “Wacht zenne, hoe is dat ook weer gegaan? Dat was na de oorlog. Ik ben pas op mijn drieëndertigste in het klooster gegaan. We waren met zessen thuis, en dan nog een nakomertje. Ons Julia. Ik heb gewacht tot zij oud genoeg was .Weet je dat ik vijf mannen heb moeten afzeggen? Vijf! En niet de eersten de besten hoor, burgerlijk ingenieurs en zo.”
“Tien jaar lang ben ik bij de trappistinnen van Brecht geweest. Dat was in een slotklooster, achter tralies. Dat was zo en zo (tekent een rooster in de lucht). Ik vond dat die tralies eigenlijk geen zin hadden. Het was een streng klooster. Allez, dat zeggen de mensen hé. Ik had alleen een klein kamertje met een bed en een stoel. Er was ook een heel klein draailuikje, zodat je familie bijvoorbeeld een pak chocolade kon doorgeven.”
“Mijn leven in het slotklooster was een gebedsleven. We stonden om zes uur op voor de  nachtofficie en een geestelijke lezing. Ik zat altijd binnen. In tien jaar ben ik niet één keer naar huis gegaan. Dat wist ik natuurlijk op voorhand, en dat is voor mij ook nooit moeilijk geweest.  En er was ook den arbeid hé. Mij hebben ze van in het begin aan de poort gezet. Ik deed dat eigenlijk niet graag.”
Zuster Hilde zucht. Haar gedachten beginnen weer te dwalen. “Vijf mannen heb ik moeten afzeggen. En met goeie diploma’s, hé!”

Ik stel voor om even een luchtje te scheppen. We wandelen traag. Zuster Hilde leunt op haar rollator, diep voorovergebogen. “Ik ben heel dankbaar voor alles dat ik hier krijg hoor, maar ik zou zo graag eens babbelen. Dit rusthuis is eigenlijk bedoeld voor gepensioneerde broeders. Er zijn hier maar twee vrouwen.” We nemen plaats op haar favoriete bankje. De zon werpt een gouden gloed op onze gezichten.  “Ik bid de hele dag voor mijn familie. Dan vertoef ik uren bij mijn Schat hierboven. Ik ben heel dankbaar. Dat is niet vanzelfsprekend hoor, een goeie familie. Wij hebben heel veel geluk gehad. En ik bid om ervoor te zorgen dat het zo zou blijven.”
Dan komen de tranen. “Het is goed geweest. Ik zou zo graag naar de hemel gaan. Ik ben niet bang om te sterven. Mijn Schat wacht op mij.”

A Passage to India (11)

Processed with VSCOcam with e1 preset

Gisteren bezochten we de sloppenwijken van Mumbai. Dharavi is een van de grootste sloppenwijken ter wereld: op een oppervlakte van honderdvijfenzeventig hectare wonen ongeveer een miljoen mensen. Dharavi is een stad binnen de stad; de sloppenwijk heeft een eigen economie, een eigen onderwijssysteem en een eigen, uiterst eigenzinnige cultuur uitgebouwd. De sloppenwijken bestaan uit piepkleine steegjes en straatjes (soms amper een halve meter breed) met minuscule huisjes – tien vierkante meter voor een gezin van zeven – die vaak slechts door een gordijntje van elkaar worden gescheiden. Daarnaast zijn er grotere straten waar voornamelijk winkeltjes en eetkraampjes worden uitgebaat. Verder zijn er ook nog enorme betonnen appartementsblokken – treurige en vervallen giganten waarin mensen op elkaar gestapeld leven – die uit de reusachtige afvalbergen oprijzen.

In de sloppenwijken wordt voortdurend gewerkt. Mumbai produceert ongelooflijk veel afval, en dat wordt hier in Dharavi grotendeels verwerkt en gerecycleerd. We zien talloze vrouwen die gehurkt, in donkere achterafkamertjes plastic sorteren op kleur en kwaliteit. Dat plastic wordt dan vermalen, bijeen geperst en verkocht aan groothandels. Veel mannen houden zich bezig met het verzamelen en smelten van aluminium. Ze werken in nauwelijks verluchte ruimtes waaruit donkere en uiterst giftige dampen opstijgen. Verder zien we hoe vrouwen brood bakken en het in de zon laten drogen, hoe mannen en vrouwen met de hand kleipotten maken en hoe roestige vaten weer worden rechtgetrokken en opnieuw worden geverfd. In Dharavi werken ook kinderen. Wanneer er inspectie komt, halen ze gauw hun kleurige vliegers en knikkers boven en doen ze alsof ze vrolijk spelen. Dwars door de sloppenwijken loopt een inktzwarte rivier. Het giftige water is afkomstig uit Mumbai en zo toxisch dat voor de kust van Mumbai – waar de rivier uitmondt – niet gezwommen kan worden.

Op dit moment zijn de sloppenwijken droog, maar wanneer de moesson intreedt, loopt alles onder water. Dat levert ongelooflijk veel ellende en problemen met hygiëne op. Een ander probleem is het schrijnende gebrek aan toiletten: er zijn slechts zevenhonderd wc’s voor bijna een miljoen mensen. Daar hoef ik geen tekening bij te maken. Gelukkig zijn er ngo’s die hun uiterste best doen om de levensomstandigheden in de sloppenwijken te verbeteren. Zij zetten schooltjes op – ik zag heel veel kleine kinderen met hun schoolboeken in hun armpjes geklemd – en organiseren cursussen dans, theater en fotografie. Dankzij die organisaties kan je op een veilige manier de slums bezoeken, en het geld dat je betaalt, wordt gebruikt om bovenstaande initiatieven te ondersteunen. Het valt mij op – en dat is ook wat de gids voortdurend benadrukt – hoe gelukkig de mensen hier zijn. De bewoners van de sloppenwijken zijn straatarm, maar hier bestaat een gemeenschapsgevoel dat je nergens anders vindt. Mensen met verschillende nationaliteiten, achtergronden en religies leven hier samen. (Leuke anekdote: de schrijntjes die je in elke hindoetempel vindt, worden gemaakt door islamitische schrijnwerkers.) Iedereen kent iedereen. De bevolking onthaalt ons zeer hartelijk – ik heb de hele dag handjes geschud en high fives uitgedeeld aan hordes energieke kinderen – en is opnieuw diep gefascineerd door de aanwezigheid van westerlingen. De leukste die ik vandaag hoorde was “hey, you’re very sexy, Lady Gaga!”. Ons bezoek aan de sloppenwijken was bijzonder leerrijk en laat – net zoals de rest van India – een diepe indruk op mij na. Het was een wonderlijke afsluiter van een fantastische reis.

Voor we vanavond het vliegtuig naar België nemen, gaan we nog op bezoek bij Jeanne Devos. Jeanne is een heel progressieve Belgische zuster die ongelooflijk veel gedaan heeft voor de armen in India. Ze richtte onder andere het National Domestic Workers Movement op, dat zich ontfermt over vrouwen en kinderen die het slachtoffer werden van moderne slavernij. Jeanne werd, door haar levenslange inzet voor de armen, in 2005 genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. Ik ben erg, erg blij dat ik de kans krijg om haar vandaag te ontmoeten.

A Passage to India (10)

Processed with VSCOcam with f2 preset

Na een kort bezoek aan Jaipur – indrukwekkende forten van rozige zandsteen en prachtige paleizen met marmeren kantwerk – en een tussenstop in Aurangabad – om de ronduit verbluffende grotten van Ajanta te bezichtigen – zijn we doorgereisd naar onze allerlaatste bestemming: Mumbai. Mumbai is enerzijds een mondaine grootstad met wijde boulevards en architecturale wondertjes uit de koloniale tijd, anderzijds de thuisbasis van een van de allergrootste sloppenwijken in Azië. Nergens in India is armoede zo aanwezig in het straatbeeld. Al bij aankomst zie ik – ook in de chique wijken – talloze mensen op straat slapen. Tot mijn grote ontsteltenis zie ik ook veel mensen met gruwelijke verwondingen en verminkingen – van verlamde mensen die zich op hun handen voortbewegen tot mensen met bloederige vleeswonden en aftandse plastic voeten. Ook de drukte in Mumbai is ongezien. Mensen lopen hier schouder aan schouder, stille plekjes zijn onbestaande. Het claustrofobische sfeertje wordt nog wat aangewakkerd door de alomtegenwoordigheid van politieagenten en militairen. Sinds de bloedige aanslagen in 2008 is Mumbai hyperbeveiligd. We worden omgeleid langs metaaldetectors om een glimpje te kunnen opvangen van de zee. In ons restaurantje worden onze tassen gecontroleerd door een bewakingsagent en het luxueuze Taj Mahal Palace Hotel – waar in 2008 veel doden vielen – wordt nu bewaakt door gepantserde legervoertuigen. Mumbai is ondanks alles een prachtige stad. Het is een bruisende metropool en een cultureel walhalla dat de Britse koloniale invloeden op sublieme wijze heeft omarmd. Mumbai leeft, beweegt en zoemt onophoudelijk. Mumbai lijkt in niets op de rest van India – het is letterlijk weken geleden dat ik nog een deftig geasfalteerde weg zag – maar is tegelijk de verpersoonlijking van het immer aanwezige contrast tussen arm en rijk. Hier staan luxehotels naast sloppenwijken, liggen bedelaars op de stoep van sterrenrestaurants en worden dure wagens tentoongesteld in straten waar mensen komen die moeten leven van eten uit de vuilnisbak.

Mumbai bereiken was geen sinecure. Vanuit Jaipur namen we – in chronologische volgorde – een tuk-tuk, een bus, een taxi, een vliegtuig, een tweede tuk-tuk en een derde tuk-tuk om naar Aurangabad te gaan. We waren dan theoretisch gezien nog 1 busrit (weliswaar eentje van 10 uur) van Mumbai verwijderd. Organisatorisch bevindt India zich echter nog in de prehistorie. Wie gebruik maakt van het openbaar vervoer is nooit zeker of de bus of trein in kwestie wel komt. Ook niet als je beschikt over een duur ticket of een reservatie. Soms betaal je voor een kaartje, soms niet, soms het dubbele. In India zijn prijzen en vertrekuren onderhevig aan het humeur van de chauffeur, de extra kosten onderweg (“parking charge”, “waiting charge”, “late night charge”) en het wisselgeld van de passagiers. Om een lang verhaal kort te maken: na een dolle rit – slapen en toch in hoogste staat van paraatheid verkeren (om mijn bagage te bewaken), het is een kunst – worden we ergens in de vroege ochtend gewekt door de begeleider van de bus die wat in het rond staat te schreeuwen.

“Is this the final stop?”

“Final stop”

“Where are we? Is this Mumbai?”

“No”

“No? Could you tell us where we are?”

“No. Final stop.”

 

We worden van de bus gezet, onze bagage wordt er achteraan gegooid en vervolgens scheurt de bus tegen een rotvaart weer weg. Daar staan we dan. Ergens. We proberen te weten te komen waar – Mumbai lijkt zelfs niet in de buurt te zijn – maar het enige dat we leren is dat een tuk-tuk naar de dichtstbijzijnde taxistandplaats 400 roepie kost. “No taxi here, Madam! 400 roepie, verrry good price!” Na een maand in India hebben we stilaan genoeg van de gespeelde verontwaardiging van zowat iedereen die hier een handeltje heeft opgezet en ons zogezegd diensten levert voor een prikje. In India word je voortdurend afgezet waar je bijstaat. Over alles – tuk-tuks, taxi’s, hotelkamers, eten – moet keihard onderhandeld worden. Soms – nu bijvoorbeeld, om 6 uur ‘s ochtends in the middle of nowhere – is een mens dat gewoon spuugzat. Ik ben dodelijk vermoeid, heb honger, werd net op brute wijze uit de bus gezet en het feit dat minstens vijf Indiërs mij omsingeld hebben en bestoken met hun eeuwige verkooppraatjes – “Hello Madam! Tuk-tuk? Good price! Very cheap! Do you want to see my shop? Very nice shop! No buying, only looking! Where you from? How long in India? You’re very beautiful!” – maakt mij werkelijk woest. Even heb ik het echt gehad met India. Ik heb geen zin meer om elke vijf minuten aangesproken te worden – “Madam! Only one picture! You look like a Hollywood star!” -, ik wil niet meer nagestaard worden, ik wil geen nepgouden Gandhi’s, miniatuur Taj Mahalletjes of plastic olifanten kopen. Ik kan de voortdurende pisgeur niet meer verdragen. Bij het zien van alle vuiligheid draait mijn maag om. Het gerochel en gereutel van zowat elke Indiër – het is hier heel gewoon om dikke stralen slijmerig spuug op straat te lozen – werkt als een rode lap op een stier. Ik ben het echt zat. Op dat moment echter, komt een meisje uit het niets op ons af. Ze loodst ons weg van de opdringerige verkopers en zet ons op de trein richting Mumbai. Ze steekt aan de loketten minstens vijftig wachtenden voorbij en betaalt zelfs ons ticket. Ik weet niet wat we zouden gedaan hebben zonder deze reddende engel. Het duurt nog een uur voor we in Mumbai zijn – kun je nagaan in wat voor afgelegen gehucht de bus ons had afgezet. Na een gigantische kop koffie en een chocoladegebakje in het beroemde Leopold Café is mijn traumaatje van enkele uren geleden alweer opgelost. Ik ben klaar om mij een laatste keer in het drukke stadsleven te storten.

A Passage to India (9)

Processed with VSCOcam with e8 preset

Pushkar is een klein, maar zeer heilig stadje in Rajasthan, het noordwesten van India. In het midden van de stad ligt een groot meer dat omgeven wordt door melkblauwe huisjes. Bij de ghats – de vele trappen die uitgeven op het meer – zitten talloze sadhoes te bidden. De sadhoes dragen oranje gewaden en steken fel af tegen het mysterieuze blauw van Pushkar en het meer. Het is verrassend stil in Pushkar. Enkel wat tromgeroffel in de verte verraadt dat er iets op til is. Er worden immers volop voorbereidingen getroffen voor de gigantische kamelenmarkt van volgende week. Verderop in de stad is het drukker. Overal vind je kraampjes met rumoerige verkopers die je heerlijk ruikende kruiden en specerijen, prachtige spreien met pareltjes en spiegeltjes, kasjmieren sjaals en fraai bewerkte doosjes proberen te verkopen. Er zijn ook opvallend veel straatkinderen – allemaal vragen ze naar “chocolate” of “school pen”. Bij de rand van de stad wordt een kamelenmarkt opgezet. Volgende week worden uit heel Rajasthan kamelen aangevoerd, die dan verder verkocht worden. We hebben geluk en zien hoe – een week voor het evenement – al talrijke kleurige tenten worden klaargezet. Aan de kant liggen met belletjes versierde kamelen loom op wat stro te kauwen. Pushkar – een tikkeltje exotisch en met een hoog sprookjesgehalte – staat in schril contrast met wat we gisteren zagen.

Gisteren zaten we de hele dag op een lokale bus die ons van Bundi naar Ajmer bracht. Lokale bussen zijn stalen monsters op wielen, en eigenlijk wil je er het liefst nooit inzitten. Maar het moest. We doen ons uiterste best om een kaartje te kopen:

“Two tickets, please.”

“Twenty minutes!”

“No, we would like to buy two tickets.”

“Twenty minutes.”

“…”

Vervolgens worden we  aangestaard door een twintigtal Indiërs die zich – terecht – afvragen wat wij in godsnaam in het busstation komen doen. Eenmaal op de bus – bij het instappen geldt de wet van de sterkste: wie niet voordringt of enig gevorderd elleboogwerk uitvoert, blijft gewoon achter – weet ik een plekje bij het raam te bemachtigen. De rest van de rit – zo’n zes uur – kijk ik uit het raam. Ik ben na mijn uitdrogingsperikelen nog steeds niet echt de oude. Even vreesde ik zelfs in Vietnam of Cambodja dengue te hebben opgelopen, maar behalve spierpijn is er geen enkel ander symptoom dat daarop zou wijzen. De voortdurende pijn en de vermoeidheid van het reizen maken echter dat het gestaar en de eeuwige drukte op dit moment echt even te veel zijn. Ik besluit dan maar alle herrie te negeren, en observeer zes uur lang het Indische platteland. Rajasthan is erg droog en stoffig, en het is best wel pijnlijk om te zien hoe ook op het platteland de armoede erg groot is. Tot nu toe werd ik alleen geconfronteerd met extreme armoede in een stedelijke context – straatkinderen, bedelaars, talloze mensen die buiten slapen. Het klinkt vreselijk, maar je went eraan. De vlakte van Rajasthan wordt voornamelijk gebruikt voor primitieve vormen van landbouw. Tussen de velden staan af en toe kleine hutjes van stro, waarin de echte boeren wonen. Iets “modernere” dorpjes zijn de typische golfplaatnederzettingen die je overal ter wereld aantreft; kleine huisjes, veel bric-à-brac, winkeltjes die autobanden of chips verkopen en overal handgeschilderde reclame voor Vodafone en Pepsi. De afstanden tussen de dorpjes zijn groot, maar overal – hoe desolaat een gebied ook lijkt – liggen bergen afval langs de kant van de weg. De enige oplossing die men daarvoor heeft – en die men ook vaak toepast – is het afval in brand steken. Dat resulteert in een verschrikkelijke stank, en – veel erger nog – ongetwijfeld erg toxische rookwolken. Voor het eerst besef ik ten volle wat een derdewereldland is. Hier bestaat alleen een rurale samenleving. Mensen vullen hier hun dagen met overleven. Alles staat in het teken van voldoende voedsel vinden om de dag door te komen. Hier wordt echt van dag tot dag geleefd. Dat geldt trouwens ook voor de meer stedelijke gebieden. We vroegen ons al vaak af hoe winkeluitbaters – honderden en honderden Indiërs hebben letterlijk hetzelfde winkeltje met exact dezelfde producten – in godsnaam ooit winst maken. Maar winst bestaat hier niet. Vaste prijzen trouwens ook niet. De winkeluitbaters weten precies hoeveel geld ze nodig hebben om ‘s avonds hun gezin te voeden. Als dat honderd roepie is, dan kost het zakje chips dat een toerist wil kopen honderd roepie. Wil die toerist slechts vijftig roepie betalen, dan betaalt hij slechts vijftig roepie. Ook de volgende klant betaalt dan vijftig roepie voor z’n zakje chips. De verkoper kan nadien theoretisch gezien zijn winkeltje voor die dag sluiten. Hij heeft immers genoeg om de dag door te komen. De zeer eenvoudige levensomstandigheden van de lokale bevolking hier hebben vandaag echt mijn ogen geopend. Het is gek hoe een simpele busrit mijn hele perspectief op India weer veranderd heeft.

A Passage to India (8)

Processed with VSCOcam with e1 presetReizen is vermoeiend. Ik zit alweer op de trein om, na een korte stop bij de Taj Mahal in Agra, nu Bundi te bezoeken. Er waren alleen nog goedkope tickets verkrijgbaar, wat impliceert dat ik nu in een lagere klasse op de trein moet slapen. En ik vond de hogere klasse al avontuurlijk.

Ik lig in een wagon met ramen zonder glas (op den duur kijkt een mens nergens nog van op), in een erg klein bed (ik pas er alleszins niet in), met naast mij een dikke Indiër die dat allemaal uiterst vermakelijk vindt. Ik lig helemaal aan het uiteinde van de wagon, bij de buitendeur. Die buitendeur staat overigens gewoon open tijdens het rijden (nogmaals: op den duur kijkt een mens nergens nog van op). Ik had altijd het idee dat je dan naar buiten zou gezogen worden, maar dat valt in de praktijk nogal mee. Helemaal geweldig vind ik het niet, maar er is weinig aan te doen. Omdat de buitendeur openstaat, en omdat veel Indiërs zich onderweg aan de rijdende trein vastklampen en zo onofficieel “meesurfen”, lijkt het mij verstandig mijn bagage extra goed in de gaten te houden. In mijn rugzak zit immers mijn hele hebben en houden. Mijn rugzak en ik, dat is zoals een slak en zijn huisje. Ik ben bijzonder gehecht aan mijn spullen en besluit dan ook om er als een soort kwaaie sfinx bovenop te slapen. Dat heb ik mij achteraf wat beklaagd – helse rugpijnen – maar ik heb tenminste alles nog. Mijn handtas (met paspoort, fototoestel en kredietkaarten) heb ik aan mijn armen vastgeknoopt. Het klinkt misschien wat overdreven, maar dat is het geenszins. Voorts heb ik mijn laken als een tentje over mezelf gedrapeerd, hopend op genade van een woest maaiende ventilator – ik zat er net al tussen met mijn haar – die zich op amper 50 cm van mijn hoofd bevindt.

Ik heb weinig zin in deze helletocht van 12 uur. De Indische spoorwegen zijn op z’n zachts gezegd nogal hobbelig. Qua gevoel te vergelijken met Parijs-Roubaix uitrijden in een stalen ziekenhuisbed. Daarnaast is er helaas geen airconditioning en de trein wordt hoe langer hoe meer een menselijke braadoven. Er is wel een ventilator, maar dat is – zoals ik eerder al zei – een moordmachine. Ik kan vanonder mijn tentje niet veel zien, maar aan het lawaai en getater te horen, is ook de laadcapaciteit van de wagon ruimschoots overschreden. Om het nog een tikkeltje verschrikkelijker te maken, lig ik ook net naast het toilet. Dat Indische wc’s doorgaans niet naar viooltjes en frisgewassen lakens ruiken, moet ik je niet vertellen. Deze trein is afgrijselijk smerig – een rijdend containerpark – maar ik kan enkel berusten in mijn lot.

Na een hele nacht slapen – “met gesloten ogen liggen” dekt de lading beter – in allerlei vreemde hoeken en posities, besluit ik tegen zessen op te staan. Ik raak aan de praat met twee Indiërs die op weg zijn naar een stadje wat verderop. Een van hen draagt een sneeuwwit kostuum – lastig hoor, op zo’n trein – en heeft duidelijk iets belangrijks te doen. Hij legt uit dat hij onderweg is naar de familie van een jongen waarmee zijn dochter mogelijk gaat trouwen. De man is een hindoe, en het is zeer gebruikelijk dat de vader van een meisje op zoek gaat naar een bruidegom. Of ze zelf iets te zeggen heeft? “Oh, no no no no!” We vragen ook hoe dat dan gebeurt, zo’n familie vinden. De man rommelt wat in z’n aktetas en haalt een verfrommeld tijdschrift boven. Het is catalogus met fotootjes van huwbare jongens en meisjes. Bij elke foto staat netjes vermeld wat hun leeftijd is, maar ook hun lengte, hun kaste, en – heel belangrijk – hun inkomen. De man heeft, zoals iemand die een auto of een huis wil kopen, interessante zoekertjes omcirkeld en hier en daar iets gemarkeerd. Ik moet er nogal mee lachen – de man zelf ziet er de humor ook wel van in – maar het lachen vergaat mij een beetje wanneer hij zijn opvattingen over vrouwen verder uit de doeken doet. “Women should always be ready to prepare food! Day and night! Whenever a man wants to eat!” Conservatief volkje, die Indiërs.

 

A Passage to India (7)

Processed with VSCOcam with e3 preset

De Verloren Tuinen van Khajuraho waren oorspronkelijk ommuurde tuinen waar boeren hun gewassen verbouwden. Het moeten prachtige en bloeiende tuinen geweest zijn, met rijkelijk gevulde waterputten en kleine helderwitte tempels. De kennis van de boeren die er werkten, werd honderden jaren lang van generatie op generatie doorgegeven. De laatste vijftig jaar echter, is hun kennis volledig verloren gegaan. Op 1 generatie tijd zijn de boeren vergeten hoe ze hun eigen land moeten bewerken en hoe ze van de extreem droge zandgrond een vruchtbare bodem kunnen maken. Dat komt onder andere door de “modernisering” van de landbouw, waarin multinationals als Monsanto een zeer dubieuze rol gespeeld hebben. Monsanto, bijvoorbeeld, verdeelt genetisch gemanipuleerde zaden onder de boeren. Door genetische manipulatie worden zaden steriel, waardoor ze slechts 1 teelt kunnen voortbrengen. Na elke teelt moeten de boeren dus opnieuw naar Monsanto om opnieuw zaad te kopen. Op die manier worden ze afhankelijk gemaakt en vergeten ze hun eigen eeuwenoude kennis. Met Belgische steun (van onder andere landbouwingenieur Johan D’Hulster die 1 keer per jaar naar India afreist, en van La Petite Bande, muzikanten die – onder leiding van Sigiswald Kuycken – geregeld geld inzamelen voor Khajuraho) werd, samen met INTACH, een beweging die al jaren strijdt tegen wanpraktijken van multinationals, in Khajuraho een project opgezet om de Verloren Tuinen te restaureren en de boeren opnieuw de principes van agroforestry bij te brengen.

Wij bezochten de tuinen samen met een bont gezelschap: Raj (chauffeur en fulltime spraakwaterval), zijn broer Raju (hij gaf ons een wonderlijke rondleiding in de schitterende tuinen) en Sharman (een Indiër op leeftijd met dito snor en bijpassende coiffure – zijn functie is tot op heden onduidelijk; hij was er alleszins bij en had ongetwijfeld de dag van zijn leven – daarnaast ook gewoon een geweldig leutige vent). In de eerste tuin worden we afwisselend te woord gestaan door Raj – die over alles wel iets te zeggen heeft – en door Sharman – die ons voornamelijk citroenen toestopt en dan “lemon lemon” zegt. Raju komt iets later toe en neemt ons dan mee voor een volledige rondleiding. De boeren verbouwen hier onder andere linzen, kikkererwten, zoete aardappelen, pompoenen, kalebassen en komkommers, maar ook citroenen, mango’s en papaja’s. De tuin lijkt op het eerste gezicht nogal wild, maar hij zit zeer ingenieus in elkaar. De grootste en hoogste bomen bezorgen de lagere struiken beschutting tegen de zon, en die struiken werpen dan weer schaduw op de allerlaagste begroeiing. De tuin heeft ook een eigen tempeltje dat zo’n vijfhonderd jaar oud moet zijn. In het midden van de tuin staat een klein gebouw waarin een zaadbank wordt bijgehouden. Op een ijzeren rek staan tientallen potjes met zaden van allerlei gewassen, waarop keurig met de hand werd genoteerd wat er precies in zit. De aanblik van dit minuscule zaadbankje is ronduit ontroerend. Dan pas beseffen we hoe kleinschalig dit project is, hoe groot en machtig multinationals zijn en hoeveel moeite het deze mensen kost om van nul te beginnen.

De tweede tuin is een stuk groter. Hier wordt onder andere rijst verbouwd, maar Raju toont ons ook veldjes met ajuin en look. Omdat de tuin groter is, is ook het tempelcomplex uitgebreider. We worden uitgenodigd om mee te eten op de trappen van de tempel. Ons eten – chapati’s met ghee en bartha – wordt geserveerd op een prachtig bord, gemaakt van grote bladeren die aan elkaar gehecht zijn met dunne twijgjes. Ons bord wordt heel voorzichtig afgewerkt met een hoopje chutney van guave, een bergje zout, een bergje rietsuiker en wat verse groenten en fruit. We krijgen ook een kommetje dahl. Na de maaltijd – die overheerlijk was – laten onze gidsen zien hoe het land bewerkt wordt met een ploeg die getrokken wordt door twee stieren. Vol trots toont Raju ons ook de composthoop. Uit alles wat Raju ons toont trouwens, blijkt een enorme dankbaarheid en toewijding. Ik zou nog uren door de tuinen kunnen dwalen, omdat ze zo mooi zijn, en vooral omdat ze zo van levensbelang zijn. Voor we de tuinen verlaten, benadrukt een van de boeren nog een laatste keer hoeveel moeite en vertrouwen het kost om de andere boeren weer in hun eigen, oude kennis te doen geloven.

A Passage to India (6)

Processed with VSCOcam with f2 preset

Wie naar India reist, moet natuurlijk ook een keer ziek worden. Gisteren was het zover. Ik was ‘s nachts al wakker geworden omdat ik een vervelende tinteling voelde in mijn linkerarm. Ik dacht dat ik misschien op mijn arm had geslapen en deed verwoede pogingen om de tinteling te doen verdwijnen. Zonder er verder over na te denken, stond ik ‘s morgens om halfvijf op om naar de zonsopgang bij de Ganges te kijken. Ik wandelde vier uur lang vrolijk door de stad, geen vuiltje aan de lucht. Tot ik plots ontzettend veel spierpijn kreeg. Niet alleen mijn armen, maar ook mijn rug, schouders en nek begonnen te tintelen. Eerst dacht ik dat het door de slechte bedden kwam, maar toen ik ook pijn kreeg aan mijn nieren en zwarte vlekken begon te zien, besloot ik toch even te gaan zitten. Mensen vroegen bezorgd of het wel goed ging, ik vond van wel en ging elders op een bankje zitten. Toen viel ik flauw. Enkele minuten later werd ik weer wakker en vroeg mij even bezorgd af waarom ik in India was. Twee natte washandjes later kon ik weer rechtzitten en werd ik naar het hotel gebracht. Verdict: zware uitdrogingsverschijnselen. Ik dronk de afgelopen week amper een halve liter water per dag. Dat – in combinatie met een hardnekkige koffieverslaving, de hoogte en droogte in Ladakh en het tropisch warme Varanasi – was een beetje te veel van het goede. Ik heb de hele dag in mijn bed gelegen en, eerlijk, ik heb mij zelden zo ellendig gevoeld. Ik kon alleen maar liggen, slapen en de pijn ondergaan. Tien zakjes oraal rehydratiemiddel, twee ibuprofennen en een dafalgan later kon ik alweer rechtzitten en wat praten. Vandaag voel ik mij al stukken beter, maar de pijn in zowat al mijn organen is nog niet helemaal weg. Ik vermoed dat ik binnen twee dagen weer mijn immer levendige zelf ben.

Het feit dat ik best wel ziek was, heeft ons er echter niet van weerhouden verder te reizen. Ik zit nu in de trein naar Khajuraho. Zo’n trein met honderden mensen die uit alle mogelijke deuren en vensters hangen. Een treinstation in India is een waar zottekesspel; overal lopen mensen met hun hele hebben en houden door elkaar. Op de sporen lopen ratten, honden en apen die op zoek zijn naar eten. In het stationsgebouw zitten horden mensen te wachten om een ticket te kopen. De wachttijden zijn zo lang dat mensen op matjes liggen te slapen en voor het loket kamperen. Wij kochten (gelukkig!) een online ticket voor “second class sleepers”, waardoor we iets meer ruimte en een gammel bedje hebben. Dat neemt echter niet weg dat er net een muis voorbij mijn bed wandelde. En dat er een bordje hangt met de weinig opwekkende boodschap “harrassment of female passengers is a punishable crime”. Het feit dat onze medepassagiers hun bagage met ijzeren kettingen aan hun stoelen hebben geketend, werkt ook niet heel geruststellend. Maar ik klaag niet. Een beetje avontuur is leuk, toch?